Wat is radiotherapie?

Radiotherapie

Radiotherapie is het behandelen van doorgaans kwaadaardige aandoeningen door middel van straling. Straling zorgt ervoor dat er schade optreedt aan het erfelijk materiaal van cellen. Als er voldoende schade is aangebracht, kan een cel zich niet meer herstellen en sterft deze af. Omdat straling overal doorheen gaat, veroorzaakt straling ook beschadigingen aan gezonde lichaamscellen.
Gezonde cellen kunnen beschadigingen beter en sneller herstellen dan tumorcellen. Van dit gegeven wordt gebruikgemaakt in de radiotherapie.

Er zijn verschillende soorten straling:

  • röntgen- of fotonenstraling: hierbij wordt gebruikgemaakt van röntgenstraling die vele malen sterker is dan de straling die gebruikt wordt voor het maken van röntgenfoto's. Deze straling wordt in het bestralingstoestel opgewekt.
  • elektronenstraling: deze straling komt veel minder diep dan de fotonenstraling en wordt ook in het bestralingstoestel opgewekt.
  • straling uit een radioactieve bron: dit betreft meestal gammastraling. De kenmerken lopen sterk uiteen afhankelijk van de soort radioactieve bron.

Al deze soorten straling zijn onzichtbaar, niet te ruiken en niet te voelen.
Na de bestraling blijft in het algemeen geen straling in het lichaam achter. Patiënten worden dus niet radioactief. Er komt ook geen straling in bijvoorbeeld zweet, urine, ontlasting of sperma.
Er zijn behandelingen waarbij wel radioactief materiaal in het lichaam achterblijft na de behandeling, zoals bij behandelingen voor schildklier- en prostaatkanker. De radioactiviteit vermindert bij deze behandelingen snel.
Hoe sterker de straling, hoe dieper in het lichaam deze effectief zal werken. De exacte ligging van de tumor bepaalt dan ook:

  • de keuze van de soort straling
  • de keuze van de sterkte van de straling
  • en daaraan gekoppeld vaak de keuze van het bestralingstoestel
Er worden berekeningen gemaakt ten behoeve van de bestralingsbehandeling. Een patiënt ondergaat een bestralingsbehandeling.

Hoe werkt radiotherapie?

Als straling het erfelijk materiaal (DNA) van een cel treft, veroorzaakt dit schade. Als de getroffen cel de schade aan het DNA niet kan repareren, sterft de cel af. In het algemeen kunnen kankercellen deze beschadiging minder goed herstellen dan gezonde cellen.

Elk weefselsoort of orgaan heeft een bepaalde kritieke grens, waarna er merkbare en blijvende schade optreedt. Hier wordt tijdens het maken van uw bestralingsplan rekening mee gehouden. Dit kan een reden zijn om de bestraling in meerdere kleine delen uit te voeren, hetgeen voor u betekent dat u vaak moet komen voor een bestraling. De gezonde cellen kunnen zich iedere keer voor het grootste deel herstellen, kankercellen kunnen dit minder goed en zullen afsterven.
Radiotherapie is een plaatselijke behandeling en heeft daarom alleen effect in het gebied dat door een stralenbundel wordt getroffen. Ondanks dit plaatselijke effect kan bestraling wel leiden tot algemene verschijnselen zoals vermoeidheid.
Straling werkt zowel op snel- als langzaamdelende weefsels. De gevolgen van bestraling bij sommige weefsels zoals haren, slijmvliezen en beenmerg, zijn tijdens of kort na de behandeling merkbaar (acute effecten). Er zijn ook bijwerkingen die pas na vele maanden of zelfs jaren merkbaar zijn (late effecten).

Radiotherapie wordt toegepast als

  • curatieve (genezende) behandeling:
    • primaire behandeling: bij sommige soorten kanker kan worden volstaan met bestraling als curatieve behandeling, zoals bijvoorbeeld bij een kleine tumor aan de stembanden. Voorwaarde voor blijvende genezing is, dat er geen uitzaaiingen buiten het bestralingsgebied zijn. Radiotherapie is immers een plaatselijke behandeling.
    • adjuvante behandeling: bij andere soorten kanker kan radiotherapie onderdeel zijn van een curatieve behandeling. Radiotherapie wordt dan gegeven in combinatie met een operatie en chemotherapie. Radiotherapie kan worden toegepast ná een operatie, om te voorkomen dat eventueel in het operatiegebied achtergebleven kankercellen later uitgroeien tot een tumor.
    • neo-adjuvante behandeling: radiotherapie kan vóór een operatie worden toegepast om de tumor kleiner te maken, zodat deze beter kan worden verwijderd.
  • palliatieve (verzachtende) behandeling:
    Wanneer geen genezing meer mogelijk is, kan zonodig een palliatieve bestraling worden gegeven. Deze behandeling is gericht op het verminderen van klachten. Radiotherapie kan worden toegepast bij pijn, een bloeding, belemmering van een doorgang (zoals in de slokdarm) en bij andere verschijnselen die ontstaan door druk van een tumor op nabijgelegen organen. Vaak gaat het om een kortdurende behandeling met als doel de kwaliteit van het dagelijks leven te verbeteren.